Column

Over boeken en internetdaten

by De Twintiger on

Je kent ze wel de boeken die je wel koopt maar niet leest. Ik heb er inmiddels een paar naast mijn bed liggen. Ik weet niet hoe het zover heeft kunnen komen. Vroeger gebeurde het nooit, ik las boeken uit en stopte ze op hun eigen plekje terug in de kast. Vaak stond ik ervoor en pakte er zomaar wat uit. Ik wiegde het werk in mijn handen en rook aan de kaft als aan een goed glas wijn. Pas na dit ritueel herlas wat ik had aangestreept.

Ik wist precies op welke bladzijde wat stond. Mijn favoriet is ‘De Herinneringen van een Engelbewaarder’ van W.F. Hermans. Het boek leerde mij de pijnlijke en eenzame kanten van het leven. Ik vond er troost en vooral veel inspiratie. Later zouden Goethe en Wolkers dat nog eens dunnetjes overdoen. Door Remco Campert leerde ik hoe vurrukkulluk het leven wel niet was. Als bij andere auteurs die mij bezielden vond ik er erkenning en ontdekte ik in zijn teksten mijzelf. Hij verrijkte als goede vriend mijn leven.

Maar sinds een tijdje, ik denk een jaar, is er de klad in gekomen. Eerst dacht ik dat het kwam door de stress, maar het stapeltje boeken bleef maar groeien. Mijn kast die ik uit principe alleen maar vulde met door mij gelezen boeken raakte vervuild met ongelezen werk. Boeken met geschiedenis, waarmee ik door het lezen een persoonlijke band heb gecreëerd, werden plotseling omsloten door bundels papier zonder betekenis. Het boek was een ding geworden en een vriend een vreemde.

Ik ben niet de enige die hier last van heeft. Om mij heen zie ik steeds vaker de stapeltjes boeken naast de banken liggen. Slordig op elkaar volgens de laatste trend. Uitgelezen zijn ze zelden. Soms is men begonnen maar vaker kwam er iets tussen.

Zo zichtbaar in de huiskamer uitgestald lijkt het kopen en bezitten van het boek belangrijker dan het lezen zelf. Men koopt nog wel, maar leest het zelden, is mijn idee. Het gaat om het krijgen van een vluchtig gevoel als bij een goedkoop t shirt van de H en M die je na drie keer dragen weggooit.

Over mijn laatste Lowlands bezoek voel ik me niet veel beter dan over het stapeltje niet gelezen boeken. Ik heb het feest daar in meer dertig muntjes per dag letterlijk geconsumeerd. Ik kocht dus ik was. Om mij heen zie ik dat ook de liefde zo wordt beleefd. Tijdens het internetdaten levert de mogelijkheid van de ontmoeting meer plezier op dan het werkelijke samenzijn. Na drie dates gaan onrustige mensen op zoek naar nieuwe plaatjes, zodat de werkelijkheid de fantasie niet langer in de weg kan staan.

Ik heb geprobeerd meerdere boeken door elkaar te lezen als een soort redmiddel. Maar daarmee raakte ik juist aan de kwaal van deze tijd, waarbij gevoel wordt gemeten langs een kwantitatieve meetlat. Dus liever tien artikelen in plaats van één goed boek, en beter nog even een serie kijken dan te gaan slapen. Ik consumeer dus ik ben is het motto dat ik om mij heen zie. En zo wordt een bepaalde hoeveelheid beleving uitgesmeerd over een groeiend oppervlak. Misschien dat daarom de laatste tijd mijn boeken smaken naar aanmaaklimonade met net teveel water. Philip Roth stelde dat niet de roman maar de lezer is overleden. Heeft hij gelijk gekregen?

Ik wil het tij keren. Ik wil weer terug naar mijn kast met parels. Ik zal de ongelezen boeken terugzetten en er eentje voor terugnemen. Ik zal haar niet met verveelde blikken vragen mij te vermaken, maar haar weer met liefde in mijn armen nemen en me openstellen voor een gezamenlijk avontuur. Ik wil diepte voelen in plaats van die vlugge kick. Ik wil kortom stoppen met consumeren en met lezen beginnen.

Bas Heijne schreef in zijn essay ‘Echt zien’ dat de menselijke verbeelding een sluier trekt voor de werkelijkheid. Het is volgens Heijne aan de literatuur om deze sluier weer af te nemen. Deze zinnen heb ik met dik potlood onderstreept.

Onlangs moest ik voor een gelegenheid het enorme fotoarchief op mijn laptop doorspitten voor een paar leuke, oude exemplaren. Tussen alle foto’s van feestjes, verjaardagen en momenten die ik me nauwelijks meer kan herinneren, vond ik plotseling deze foto. Dit ben ik, tien jaar geleden. Ik was toen veertien jaar. Ik vind deze foto bijna een soort Boegbeeld van de Adolescentie: het kleurige kinderbehang zit nog op de muren, terwijl er ondertussen steeds meer Hitkrant-posters overheen werden geplakt. Ik was een enorme Harry Potter-fan en voelde me zeer begrepen door Avril Lavigne met haar dramatische teenage-angsty teksten. En dan mijn pose: overwegend stoer, maar toch zo onzeker dat ik niet overtuigend ben (om over de tekst op mijn shirt nog maar te zwijgen). Ik kan me heel goed herinneren hoe ik me in deze periode voelde. Daarom: vier dingen die ik tegen mijn 14-jarige zelf zou willen zeggen als ik de mogelijkheid had.

#1 De wereld draait niet om jou
Dat is iets wat mijn moeder wel eens lachend tegen me zei. Gemeen? Welnee. Ze had hartstikke gelijk, zoals alleen moeders dat kunnen hebben. Ik was heel onzeker en dacht dat iedereen me altijd nakeek, uitlachte of over me roddelde. Ik herinner me dat ik een keer door een winkelcentrum liep en er een paar mensen passeerden die in het voorbijgaan heel hard moesten lachen. Ik keek schichtig achterom en fluisterde tegen mijn beste vriendin: “Waarom moesten ze lachen? Ging dat over mij?” Je kunt je voorstellen hoe vermoeiend mijn leven moet zijn geweest. Onthoud: de wereld draait niet om jou. En gelukkig maar.

#2 Vriendschappen komen en gaan
Toen ik veertien was liep ik als een kip zonder kop achter een populair klasgenootje aan. Ze was grappig, had een enorme bos zwarte krullen, een jaloersmakend getinte huid en natuurlijk altijd vriendjes. Ik voelde me een slungelige bleekscheet die daar nogal schraal bij afstak. Ik wilde zijn zoals zij. Maar ze was ook bazig en probeerde vriendinnen tegen me op te zetten. Toch was ik van slag toen ze me na een jaar als een baksteen liet vallen. Wat had ik verkeerd gedaan? Vriendschappen komen en gaan. Dat zal altijd zo zijn. Zo heb ik dit jaar met drie mensen het contact verbroken (of zij met mij). Daar staat tegenover dat er een hoop nieuwe, leuke contacten voor in de plaats zijn gekomen. Jij verandert, andere mensen veranderen of je besluit allebei een compleet andere weg te gaan. Vaak ben je zelfs beter af zonder bepaalde mensen. Het is niets persoonlijks: c’est la vie.

#3 Iedereen heeft zo zijn onzekerheden
En ik maar denken dat ik de enige socially awkward tiener was. Dat viel nog reuze mee. Die knappe, populaire meiden op school waren misschien nog onzekerder dan ik. Alleen hadden zij toevallig een grote mond, geld voor dure merkkleding en behoorlijke borsten. Tja, zo kan ik het ook (behalve die borsten, dan). Op het moment dat ik me realiseerde dat iedereen wel iets heeft waar hij of zij onzeker over is, viel er een last van mijn schouders. Opeens hoefde ik niet meer zo ongelofelijk veel moeite te doen om door Jan en alleman fantastisch gevonden te worden. Iedereen is een beetje autistisch. Niks mis mee.

#4 Stap uit je comfortzone
Ik was altijd overal bang voor en durfde niets. Op mijn zevende sleurden mijn ouders me naar tekenles. Dat betekende dat ik iets nieuws moest proberen, op een plek waar ik niemand kende. Brrr. Doodeng. Dat vermeed ik het liefst. Ook op de middelbare school was ik liever onzichtbaar in een vertrouwde omgeving dan dat ik nieuwe dingen ondernam. Stel je voor! Het heeft tot halverwege mijn studie in Amsterdam geduurd voor ik eindelijk de ballen had om uit die veel te veilige comfortzone te stappen. In een studentenhuis wonen, stage lopen, in je eentje naar feestjes gaan, tientallen activiteiten doen naast de studie, alleen op vakantie. Stuk voor stuk eng, maar heel erg leuk. Ze zeggen niet voor niets: life starts at the end of your comfortzone. Doen dus.

Ochtendmensen vs. Avondmensen

by De Twintiger on

Meestal is het leven niet zo zwart-wit, maar in dit geval zijn er slechts twee groepen: de ochtendmensen en de avondmensen. De ene groep staat om zeven uur al springend naast zijn de bed om de dag fris en fruitig te beginnen, terwijl de andere groep zich het liefst dramatisch kreunend onder de aangenaam warme dekens verstopt. Waarom zit er zo’n groot verschil tussen ochtendmensen en avondmensen? Waarom ben ik eigenlijk geen ochtendmens? Wat is er eigenlijk zo fijn aan een avondmens zijn?

De Wekker
Geliefd bij ochtendmensen, gehaat bij avondmensen. Voor een ochtendmens is het geluid van de wekker slechts een reminder dat het –gelukkig!– alweer ochtend is (waarschijnlijk lag ie al een halfuur ongeduldig naar het plafond te staren). Eindelijk, opstaan. Voor een avondmens is het geluid van de wekker kwellend en soms bijna ondraaglijk. Hoe kan het nu alweer ochtend zijn? Zo kan een normaal mens toch niet uitgerust op zijn werk komen? Een voorbeeld: mijn iPhone fungeert als wekker. Wanneer ik andere mensen met iPhones tegenkom die hetzelfde deuntje als beltoon of timer gebruiken, krimp ik bijna als vanzelf ineen. Moord! Brand! De wekker!

De Avond
De avond is voor ochtendmensen nooit van lange duur. “Ha, vanavond ga ik eens lekker vroeg naar bed! Héérlijk!” En dat menen ze dan ook. Om 10 uur liggen zij braaf onder de wol, weggezonken in een diepe slaap. Een avondmens heeft om 10 uur nog van ál-les te doen. Slapen? Om 10 uur? Dat is je reinste kinderbedtijd. Nee hoor, om 10 uur kan er nog een heleboel gedaan worden. Terugfietsen van een snel tripje naar de AH XL, huishoudelijke klusjes, papers schrijven, films kijken, nieuwe artiesten op Spotify ontdekken, Skypen met mensen die in andere tijdzones leven, cupcakes bakken, gamen, eindelijk dat boek uitlezen, onnodig veel bestellen op de H&M site… Die dingen moeten toch ook gebeuren?

De Ochtend
De tijd waarin een ochtendmens het beste functioneert. Vóór een avondmens zijn ogen opendoet is een ochtendmens al drie keer heen en weer naar supermarkt gefietst, langs de huisarts gegaan, naar de kapper geweest en inmiddels alweer toe aan de lunch. Een avondmens heeft nauwelijks tijd voor ontbijt. Altijd nog ‘even’ blijven liggen, altijd zoveel mogelijk ’s avonds doen, altijd een boterham op de fiets of make-up in de trein. Ik kan me nog herinneren dat ik als zesjarig meisje elke zaterdagochtend vrijwillig om half zeven beneden op de bank zat om Bassie & Adriaan te kijken. Half zeven! Gekkenwerk. Hoewel ik eerlijk moet toegeven dat ik Bassie & Adriaan soms mis. Zelfs die ene met de plaaggeest.

Kortom: ik zou willen dat ik een ochtendmens was. Hoe erg ik het geluid van mijn wekker ook verafschuw en hoe moeilijk ik er elke ochtend ook uitkom. Mijn bedje mag op dat moment dan heerlijk liggen, maar telkens wanneer ik weer veel te lang in mijn bed blijf liggen voel ik me compleet nutteloos (en vermoeider dan de avond daarvoor. De ironie). Gelukkig heb ik een hele hoop lieve huisgenoten die me mijn bed uit bellen, appen en kloppen. Of me natuurlijk gewoon om kwart over acht naar de sportschool slepen. Linda! Wakker worden, wakker worden, WAKKER WORDEN!

Onlangs kwam ik een plaatje tegen op Facebook via 9Gag (een iedereen wel bekende website met cynische plaatjes en filmpjes). Op het plaatje zag je Buzz Lightyear en Woody, twee personages uit de Disney Pixar klassieker Toy Story (1995). Nu heeft het verhaal van Toy Story verder niets met het plaatje te maken, maar hierop stond de volgende tekst: ‘Babies and weddings. Babies and weddings everywhere.’ Boven het plaatje was de volgende tekst te lezen: ‘I’m only 24, but this is my Facebook feed every day.’

Nu valt het in mijn Facebook feed wel mee met de babies en de weddings. Soms plopt er plotseling eens een kind uit, of trouwt er hier en daar iemand. Meestal zijn de personen die deze blijde levensmijlpalen pontificaal op Facebook delen de dertig al gepasseerd. Slechts een schrale minderheid is begin twintig. Niet iets waar ik mij dus dagelijks mee bezighoud, laat staan druk om zou maken. Toch vond ik de opmerking van de beheerder van 9Gag ergens wel interessant.

Ik zat in de trein toen ik verveeld mijn Facebook feed doorscrollde. Ik passeerde foto’s, mededelingen, statusupdates, video’s. Tot ik dus op dit plaatje van 9Gag stuitte. Eerst zuchtte ik; het is immers voor elke twintiger wel een piepklein beetje herkenbaar, of je eierstokken nu al rammelen of niet.

Geen baan, geen man, geen baby… Ik betrapte mezelf erop dat ik er plotseling achteraan dacht: ‘Nou, gelukkig maar! Is het niet fantastisch?’

Even was ik in de war. Zijn die baan, die man en die baby niet waar we het allemaal voor doen? En waarom gebeurt het bij de één eigenlijk veel sneller dan bij de ander? Zit er een tijdslimiet of bepaalde leeftijd aan verbonden, behalve dat het voor vrouwen nu eenmaal op een gegeven moment gevaarlijk of niet meer mogelijk is om zwanger te worden? Moet ik dit nu allemaal al willen? Wil ik het überhaupt wel?

Eigenlijk vind ik het best prima zo. Juist nu kan ik helemaal zelf uitzoeken wat ik precies wil. Ik hoef met niemand rekening te houden en ik hoef geen extra monden te vullen (en gelukkig maar, want ik heb al moeite om het geld bij elkaar te schrapen voor één mond – die van mezelf). Er is geen haast bij en ik kan nog alle kanten op. Alhoewel, de financiële tekortkomingen zullen het niet makkelijk maken, maar dat terzijde. Oersaaie praatjes over financiën bewaar ik graag voor de volgende keer.

Eerst vond ik het maar niets, dat ik niet wist waar ik over een jaar zou wonen en werken. Wat nu als ik geen baan zou vinden? Of geen nieuw dak boven mijn hoofd? En dan heb ik het niet eens over babies en weddings, want daar ben ik nog lang niet. Maar dat vind ik eigenlijk niet zo erg. Zoals een vriendin van mij het wel eens kort en krachtig samenvat: ‘Babystapjes.’ Neem de tijd om uit te vinden wat je wilt, waarom je dat wilt en met wie je dat wilt. Er gaat geen timer af en niemand zal je veroordelen (en het kleine aantal mensen dat dat wel doet kun je straal negeren, die hebben blijkbaar niks beters te doen).

Dus, als niemand er verder problemen mee heeft, dan ga ik nu verder met vooral geen trouwringen uitzoeken of baby’s uitpoepen. Eerst maar eens een baan vinden waarvan ik rond kan komen. Later wil ik een echte droombaan. Een carrière lijkt me wel wat – en die begint pas net. Is het niet fantastisch?

Generatiekloof Y: wat is dat, een blog?

by De Twintiger on

Onlangs verscheen ik met een kort interview over mijn blog in de Glamour. Het honderdste nummer van het modemagazine kwam deze maand uit en dat werd gevierd met een extra dik exemplaar. Honderd vrouwen werden geïnterviewd, inclusief prachtige fotoshoot. Het is ontzettend gaaf dat ik er daar één van ben en ik heb het bepaald niet onder stoelen of banken geschoven. Ook de hele familie is ingelicht. Hoe vaak sta ik nou in de Glamour? Precies.

Zo bracht mijn moeder het tijdschrift laatst mee naar mijn opa en oma. Ik belde ze op om te vragen wat ze ervan vonden. Ik kreeg mijn opa (81) aan de telefoon. “Ja, je moeder had dat ene boek van je meegenomen,” zegt hij, met krakende stem. Ik vraag hem wat hij ervan vond. Herkende hij me nog? “Nou, ze hebben wel wat met je gezicht gedaan. Het is maar een rare foto geworden!” Van je familie moet je het hebben. Gelukkig weet ik wie het zegt. Typisch opa.

Als ik ophang, vertelt mijn moeder dat mijn opa en oma het interview eigenlijk niet zo goed begrepen. Ik kijk haar verbaasd aan. Ik heb een blog en daar vertel ik wat over. Logisch, toch? Maar dat is precies het probleem. Zodra mijn moeder het interview voorlas, onderbrak mijn opa haar al na de eerste zin. Wat is een ‘blog’? Plotseling besef ik dat hier sprake is van een enorme generatiekloof: mijn opa en oma zijn totaal niet opgegroeid met computers en internet. Laat staan dat ze ooit op een blog gekeken hebben.

Hoe leg je aan iemand van 81 uit wat een blog is? Ik schrijf stukjes voor op het internet. Internet, nog zo’n moeilijk woord. Wat is dat dan weer? Ik zat op mijn zevende al achter een tekstverwerker, druk stukjes typend. Met veel spelfouten natuurlijk, want ik had pas net leren schrijven. (Oké, tegenwoordig verwijderen baby’s apps op de iPad van hun pappie en mammie, maar dat is weer een heel nieuwe generatie.) Mijn opa en oma zijn niet opgegroeid met al die technologische snufjes. Mijn oma, die nog wel eens een mailtje naar me stuurde, heeft haar computerles laatst opgegeven. Veel te moeilijk. Mijn opa weigert om zelfs maar in de buurt te komen van die apparaten. “Ik ben te oud voor dat soort rotzooi,” bromt hij dan.

Ik ben bang dat ze nooit meer zullen begrijpen wat een blog is. Of wat ze met een computer moeten. En wat ik dan in ’s hemelsnaam de hele dag uitspook achter dat moeilijke ding. Maar langzaam maar zeker zal die generatie verdwijnen. Dan is er niemand die nooit achter een computer heeft kunnen (of willen) kruipen. Wij moeten wel. Wanneer ik afgelopen weekend bij mijn opa en oma op bezoek ben, check ik even snel mijn smartphone. Zij zitten ondertussen gewoon aan de koffie met een bibliotheekboek. Generatiekloof Y.